Historische Kring Boekelo Usselo Twekkelo

Gerhard Kleine Wiecherink vertelt

Gerhard Kleine Wiecherink 1927
  Gerhard Kleine Wiecherink vertelt:
 
 Over zijn leven op de boerderij ‘t Mös en in Usselo. Hij woont met zijn vrouw Mini op de boerderij ‘t Mös aan de Haaksbergerstraat in Usselo.
 Hij wordt ook wel Gerhard van ‘t Mös of Schoolherm’s Gerhard genoemd. Hij woont er vanaf zijn 3e jaar.
 De bungalow bij ‘t Mös waar Gerhard en Mini wonen staat er nu 23 jaar.
 ‘t Mös betekent laag gelegen gronden. De boerderij had akkerland op de es en grasland rond de boerderij.
 Vroeger was het een proefboerderij en was eigendom van Gijs Lasonder. Die liep rond met een bolhoed op, en tegelijk klompen aan.
 Op de boerderij ‘t Mös was Lammers de baas, ook wel genoemd lang’n Jan-Heenik. Met behulp van de Wönners werd het werk gedaan.
 Daarna heeft zoon Gerrit Lasonder alle bezittingen geërfd. Na deze vererving heeft hij de Twentse Landbouw Organisatie opgericht, (later provinciaal de  OLM).
 Daarna is op de boerderij ‘t Mös het boeren in eigen beheer beëindigd, en werd het een proefboerderij onder leiding van een zetboer,
 tot 1930 toen Gerhard er kwam wonen met zijn ouders en opa.
 Gerrit Lasonder was landgoedeigenaar en handelaar in effecten. Uiteindelijk is hij overal af gekomen, omdat hij in de 2e wereldoorlog verkeerde politieke   keuzes heeft gemaakt,
 en ook nog een Duitse vrouw heeft getrouwd. De overheid heeft hem na de oorlog alles afgenomen. De bewoners konden de boerderijen later in de jaren  60 kopen.
 Deze verkoop werd geregeld door de rentmeester der Staatsdomeinen. Hij had in het begin 11 boerderijen, en veel grond in Driene waar nu de UT is  gevestigd, en de koepel bij de es.
 Dat was een tijdelijke woning van Lasonder toen alles in de stad verbrand was bij de stadsbrand van Enschede in 1862. Later was het zijn theehuis.
 Zijn woning stond midden in de stad tegenover Hotel De Graaf. Na de oorlog heeft mevr. Lasonder een huisje toebedeeld gekregen aan de  Bruggemorsweg.
Ze is in armoede gestorven.
Usselo begon vroeger bij de Dennenweg. Door annexatie van de gemeente Lonneker door Enschede in 1934 werd Enschede groter en
door de groei van de stad de omliggende buurtschappen kleiner.
De school in Usselo stamt uit 1766. Het huidige schoolgebouw is het 4e gebouw in deze geschiedenis.
Door uitbreiding van de stad kwamen de nieuwe woonwijken steeds dichter bij de Usselerschool, waardoor er een leegloop ontstond.
Met als gevolg dat de school te weinig leerlingen kreeg om nog te blijven bestaan op dezelfde plaats aan de Usselerschoolweg.
Toen Gerhard naar school ging (omstreeks 1934), zaten er ± 150 leerlingen op de school.
Toen de gemeente Enschede begin jaren 80 van de vorige eeuw de school wilde sluiten, kwam de hele Usselose bevolking in opstand.
Er werd een actiecomité opgericht en uiteindelijk werd door de Raad van State beslist dat de school mocht blijven bestaan.
Met hulp van STAWEL (St. Agrarisch Welzijn) omdat dit een rechtspersoon was, is dit toen gelukt. Dat was in 1985.
Toen in de nieuwe wet op het onderwijs er ook kleuteronderwijs moest plaatsvinden op een basisschool, voldeed deze school niet meer aan de eisen
en werd besloten tot verplaatsen van de school naar de kern van Usselo met nieuwbouw.
Er is in Usselo al meer dan 100 jaar een School- en Volksfeest geweest. Maar door problemen binnen dat bestuur is dat in 1993 opgeheven.
Op dat zelfde moment of iets daarna heeft een andere groep mensen uit Usselo de draad opgepakt om toch een feest voor Usselo te organiseren.
Er werd een stichting opgericht, om dit samen met de omliggende buurtkringen, de Usselerschool, en de peuterspeelzaal van de grond te krijgen wat toen ook gelukt is.
Volgens Gerhard is zon feest voor een dorp als Usselo belangrijk voor de saamhorigheid binnen de gemeenschap.
Rond 1900 was in Usselo 1 bakker (ter Horst), 3 kruideniers (Hannink, Scholten op het Richtershoes en ‘n Kremer), 2 smederijen
en 3 cafés (Hannink, Bornebroek en Bos-Mans). Bos-Mans (waar nu de Westerval is) was het danscafé en daar is in het begin ook het School- en Volksfeest gehouden.
Hier stond ook een windmolen bij, deze was van Bos-Hennik.
Bij Kerkenbruggert (fam. Leefers) was vroeger een soort herberg waar je ook paarden kon stallen en kon overnachten.
De grond waar nu de begraafplaats is heet de Hölsbroak. De gronden zijn gekocht van Kerkenbruggert (Leefers).
Over het straatje naar de begraafplaats is door Leefers toen het recht verleend om deze te gebruiken om bij de begraafplaats te komen
Deze was eigenaar van die boerderij, die toen was verpacht aan De Höls, vandaar die naam. Dit moet zijn geweest omstreeks 1905-1910.
Daarvoor was de begraafplaats achter de kerk.
De kerk in Usselo bestaat 163 jaar. De laatste dagen van de oorlog in 1945 is het eerste kerkgebouw gebombardeerd. Daarna is de huidige gebouwd.
In 1838 heeft markenrichter Gerrit Scholten de eerste aanzet gegeven tot oprichting van de kerk. De markenrichter deed rechtspraak in een marke.
Hij was een belangrijk man in die tijd.
De buurtkring Usselo bestaat nu 106 jaar en er is nog een andere instantie in Usselo de Armenstaat Usselo, voorheen de Usselermarke en die is al 657 jaar oud.
Een club die nu nog weinig activiteiten heeft maar wel met nog wat bezittingen. Voor dat de Sociale dienst bestond, voorzag deze in de taak om de sociaal minder bedeelden wat te helpen.
De Marke bezit ook grond, en verhuurt die weer. Als van die grond wat afgestaan moet worden (b.v. industrie, woningbouw of wegenaanleg) dan wordt van de opbrengst weer andere grond gekocht.

Noaberschop: Dit houdt in dat je als noaber rechten en vooral plichten had. Vroeger hoorde daar ook bij dat je een overledene moest afleggen, hetgeen Gerhard als kind verschrikkelijk vond.
Ook het dood aanzeggen was gebruikelijk. Degene die dat het goedkoopste kon, die mocht het doen. Het ging bij inschrijving.
Later hoefde dat niet meer, dan moesten de noabers namens de familie onderhandelen met de aanspreker van de begrafenis-onderneming.
Je had in de noaberschop ook een dodenboer. Dat was de boer het dichtst in de buurt die twee paarden bezat, die de overledene kon vervoeren naar de begraafplaats.
Zo’n boer kon dat wel bij veel meer mensen zijn in een noaberschop, want lang niet iedereen had een paard, laat staan 2 paarden.
Kleinere boeren vervoerden alles te voet, b.v. koeien lopend naar het slachthuis.
Verder werd geholpen bij geboorte zoals een kind inwikkelen. Na de geboorte van een kind werden soms later grote kraamvisites gehouden.
Men ging er wel eens mee naar een café (vooral bij de eerstgeborene in een gezin).
Verder wordt er een welkomstfeest gehouden als men nieuw in een noaberschop komt wonen. Daarmee geef je aan dat je daar zelf ook bij wilt horen.
Doe je dat niet, dan hoor je er zelf later ook niet meer bij. Dit is een ongeschreven wet.
Bij trouwerijen hadden de naaste noabers en de dodenboer de hele dag feest, en de rest alleen ‘s avonds. Het erf werd de dag voor zo’n feest door de noabers aangeveegd en opgeruimd.
Hieruit is het “mooimaken” met een boog met roosjes er in voortgekomen.
Vroeger had je boerenmelkventers (later vanuit de melkfabriek) die hun melk zelf verventten, b.v. Oldenhof uit Twekkelo. Kwaliteitscontrole was er toen niet.
Er ontstond ook wel eens een bijnaam als “waterboer”.
Dit ging ook zo met groente naar de veiling brengen. Spinazie met water er aan is zwaarder. Een enkeling ging er zelfs met de sproeier overheen.
De vrijerij ging vroeger in het begin vaak in het geheim. Na een jaar of zo kwam je er pas mee thuis.
De jeugd had in die tijd ook wel kwajongensstreken. Tegenwoordig heet dat vandalisme. Zoals teer smeren op de rand van “het huuske” (het toilet) bij Smits-Gait,
zodat mensen daar op gingen zitten. De beleving werd als minder prettig ervaren.
De stötkoar met knollen werd opgekiept tegen de niendeur aan. De niendeur ging naar binnen open, dus moesten ze ‘s morgens de knollen met de hand naar binnen slepen.

De eerste verbinding van Haaksbergen naar Enschede was wat nu de Oude Haaksbergerdijk is. Toen de Haaksbergerstraat werd aangelegd (een smal gruisweggetje),
werd door de provincie Overijssel tol geheven voor gebruik van die weg. Dat werd gedaan door Kuipers bij De Tol.
Grote boerenerven hadden vaak een aantal “Wönnersplaatsen” rond de grote boerderij. Die verhuurd werden aan Wönners.
Deze Wönners moesten ook helpen met werkzaamheden op de boerderij van de eigenaar, zoals met de oogst. Deze hulp was verwerkt in de hoogte van de pacht die moest worden betaald.
Maar het werk bij de z.g. “scholtenboer” ging wel vóór de eigen werkzaamheden.

Er waren nog meer regels zoals Het recht van de tienden. Dit betekent dat het tiende deel van de oogst naar de eigenaar van de grond ging.
De mestweg. Dit was een weg over het land van iemand anders om je grond te kunnen bereiken. Daar mocht je gebruik van maken totdat de gewassen gezaaid waren in het voorjaar.
Hierover ontstond soms ruzie. Deze regelingen zijn na de ruilverkaveling op de Usseleres in 1942 beëindigd.
De meeste boeren hadden koeien, varkens en kippen. Ze verbouwden ook nog vlas voor het linnen.

Er is op het Elferink nog een vrouw verongelukt. Ze kwam met haar kleren om de as van de geubel. Een geubel is een aandrijfmechanisme die voortbewogen wordt door een paard.
Zo’n geubel dreef weer machines aan, zoals een hakselmolen.
Zo ging het gesprek verder en verder. Veel verhalen, veel wetenswaardigheden hoe men vroeger met elkaar omging en historie die heel ver teruggaat.
Vanuit andere gezichtspunten zullen wij nog meer gaan horen over Usselo. Dit is een goede aanzet.

Bedankt Gerhard en Mini voor de gastvrijheid.

Interview: Hennie Rietman, januari/februari 2007.